maandag 28 mei 2012

Dit alles ben ik


Diepstil is deze morgen. En toch tot aan de rand gevuld met geluid en levendigheid. Gekwetter en gefluit van vogels, de wind door het gras, het water in de vijver bevolkt met de meest vreemde diertjes die voorbij komen zetten, onder-water-kevers, torren, kleine slangachtige wezentjes. Een lauw briesje strijkt langs mijn naakte huid en de gedachte komt op dat het niet perfecter kan dat dit.

Terwijl nog meer gedachten voorbij drijven in deze wolkenloze hemel (wat zullen we vanavond eten, ik moet niet vergeten de was buiten op te hangen) word ik me bewust van de stilte achter elke beweging, achter elk geluid. Een stilte die plotseling opbloeit als een onvoorstelbare energie, een stuwende, aaneengesloten aanwezigheid. Volkomen leeg en overvol tegelijkertijd.
Ik merk hoe iets in me probeert intact te blijven, zich vast wil grijpen aan een standpunt in deze onbegrijpelijke tomeloosheid. Een golf die probeert zijn vorm te behouden in de oceaan. Zo ridicuul! Wat nou standpunt! Welk standpunt in godsnaam! Ik ten opzichte van alles waar dit uit voortkomt? Probeer ik me vast te klampen aan een gedachte, de gedachte dat ik los zou staan van dit alles, dat ik mijn leven bestuur?
Ik geef het op en laat alles varen. Met geen mogelijkheid ben ik apart van dit alles. Van de stilte, van de stuwende kracht, van de watertor, van alles wat verschijnt. Ik ben dit alles. Elke cel in mijn lichaam, elke gedachte die opkomt, elk woord dat ik spreek. Zelfs elke poging om een apart ik in stand te houden.
Dit alles ben ik.

En het mysterie is dat ik tegelijkertijd niet kan weten wat ik ben.
Kan de oceaan weten dat hij een oceaan is? Zichzelf benoemen, zichzelf zien? Of heeft hij alleen weet van zijn oceaanheid door de golven die verschijnen, de vissen die in hem zwemmen en schepen die hem bevaren?

Als ik opkijk van mijn laptop ligt de tuin er nog even vredig bij in de zon. Mijn lichaam voelt opgeladen, energiek. De kikkers kwaken, een auto komt voorbij en mijn maag roept om lunch.
Eerst dat, en dan de was ophangen.

maandag 7 mei 2012

Dwarsligger


Het vooruitzicht een dag te spenderen in mijn atelier is in de regel goed voor mijn humeur. Mijn oude kloffie aan, thermoskan mee en aan het werk. Niet dat er altijd meteen sprake is van vruchtbaar werk. Soms moet er een dood punt worden doorgeworsteld, waardoor ik uren aan het proberen ben, materiaal aanbreng en weer afbreek. Zo was het deze morgen ook. Maar niet alleen de vorm bleef me ontglippen, ook andere hobbels dienden zich aan. Zo had ik In de eerste tien minuten mijn mok al omgestoten waardoor mijn werkblad met alles erop onder de thee zat, bleek de schroefboormachine leeg te zijn (en de oplader thuis) en was de lijm in de tube uitgehard tot een soort stenen substantie. Ach, zo gaat dat als je iets aan het creeren bent.  "Ha, de onwillige materie", riep ik nog goedgemutst tegen niemand. 
Maar toen ik ruim drie uur later nog steeds niet de juiste vorm voor mijn beeld had gevonden, begon mijn goedgemutstheid te smelten als sneeuw voor de zon. Elke nieuwe ingeving leek getemperd door iets wat niet werkte: wilde ik iets schroeven, bleek mijn laatste goeie bitje stuk (ik was inmiddels al naar huis geweest voor de lader), wilde ik iets zagen bleek de ijzerzaag spoorloos. Bovendien had ik net niet de juiste maat spijkertjes die ik nodig had en moest ik dus eigenlijk voor vier van die minidingetjes naar de Praxis, wat weer veel tijd zou kosten. Wat een stomme, zinloze dag! 
Ik schonk een nieuwe kop thee in en ging er even bij zitten, bozig mijn halfaffe beeld negerend. Misschien moest ik maar naar huis gaan, iets anders gaan doen. Of dit beeld uit elkaar slopen en aan iets nieuws beginnen. Terwijl ik een slok thee nam herinnerde ik me plotseling een citaat dat ik een paar dagen daarvoor had gelezen: "Als je God aan het lachen wil maken, moet je hem jouw plannen voorleggen."
Ik vond dat heel grappig en waar toen ik het las, en ook nu, zittend op een kruk in mijn atelier, viel de spanning van me af toen ik die zin tot me door liet dringen. De enige die aan het dwarsliggen was, was ik. Niet de boormachine, de zaag of welke onwillige materie dan ook. 

Hoezo zinloze dag? Alleen vanuit mijn plan bekeken was er schijnbare tegenwerking. Het ging niet zoals ik wilde. Maar als ik dat losliet was er niets aan de hand. Bitjes gaan stuk, spijkertjes moeten gekocht en als je de dop niet op de lijm doet gaat deze een chemische verbinding aan met de lucht. En wat is tijd? Tijd zat. Alles gaat precies zoals het gaat. Dus ik dronk mijn thee op, pakte mijn autosleutels en stapte in mijn auto, mijn humeur weer onbewolkt en vastbesloten gewoon door te buffelen. Op naar de Praxis.

woensdag 14 maart 2012

Ekster


Ik geloof dat een ekster besloten heeft een nest te bouwen in een boom bij ons huis. Ik zie hem af en aan vliegen met takjes in zijn snavel (hij ziet er uit als een hij). Ergens past het niet bij een ekster, zelf een nest bouwen. Het lijkt me eerder een vogel die een ander een nest laat bouwen en als het klaar is de eigenaar eruit gooit, de eieren opvreet en er vervolgens lekker zelf in gaat zitten. Met een sigaar.

Misschien doet dit exemplaar vandaag zomaar een poging om zelf een nest te bouwen. Een pionier-ekster, een dappere eenling gedreven door zijn goede inborst. Of gewoon een overmoedige sufferd.

Dat moet toch niet zo moeilijk zijn, wat zo'n gare duif kan, kan hij ook. Terwijl hij op zoek gaat naar takjes en ander materiaal voelt hij zich steeds beter over zichzelf, hij is heus niet zo'n uitvreter, eigenlijk heeft hij altijd de beste bedoelingen, ruwe bolster blanke pit weet je wel. Zijn hart zwelt, hij voelt zelfs even een traan opwellen, o als zijn moeder hem zo eens kon zien, haar zoon die een supernest bouwt met een aparte slaapkamer en een terras aan de voorkant, iedereen zal stomverbaasd staan over zijn creativiteit, zijn natuurlijke aanleg, wacht maar, stelletje schorem, hier vliegt een vogel met stijl, met waardigheid…..
Om na een uur, als de takjes voor de zoveelste keer uit elkaar gevallen en naar beneden gelazerd zijn, woedend op te vliegen. Stom klotenest, welke gek gaat daar ook tijd aan spenderen, wat een geneuzel, alsof hij daar tijd voor heeft! 
Met ruisende vleugels landt hij in een andere boom, hippend van kwaadheid.
Hij scant de omgeving, zoekend naar een slachtoffer, liefst zo'n mallotige duif of een ordinaire, waardeloze mus, ook goed, om zijn woede op te koelen. Hij zou met één beweging hun kunstig in elkaar gevlochten bouwwerkje uit elkaar ratsen en de sukkels vervolgens smakelijk uitlachen. Ha!
Maar alles wat hij ziet zijn kale, zwijgende takken, waar hij ook kijkt. Nauwelijks een vogel in de buurt. Niemand is nog bezig met een nest, het is tenslotte pas begin maart. 


maandag 12 maart 2012

Wonder

De tuin is grijs, kaalgesnoeid. Alleen het getjilp van de vogels doet vermoeden dat het bijna voorjaar is. Het is zo'n laat-in-de-middag sfeer, de lucht vol met echo's van bezige mensen, van onderweg zijn, van werk dat er weer bijna op zit. Een beetje zoals sneeuw waar veel doorheen gelopen is. De ongereptheid van de vroege morgen is haar belofte kwijt. 
Ondanks de drukte is er niemand ook maar iets opgeschoten. Hebben we gewerkt, of misschien wel niets gedaan, hebben we gegeten, boodschappen gedaan, de tere sneeuw doorploegd met onze bezige voeten, onze meningen verkondigd en succes of frustratie meegemaakt. De dag is getekend door dit alles en dan valt de schemering.
Als een doek dat langzaam valt. 
De aarde is weer van zichzelf, onbespied, iedereen gaat naar binnen, in lamplicht en televisielicht, koken, eten, informatie opnemen. Intussen voltrekt zich een mysterieus wonder in de donkere buitenlucht: de sporen worden langzaam gewist. En als de avond vordert en overgaat in de nacht, verdiept de stilte zich. Stilte en duisternis ontfermen zich over het gehavende oppervlak. Ook katten, die met hun fluwelen pootjes de aarde raken op jacht naar wakkere muizen, voelen dit. Ze laven zich eraan. En dan, na een eeuwigheid, komt de zon weer op. Beschijnt een nieuwe wereld, onbeschreven en klaar voor alles wat zich manifesteren wil.

zondag 11 maart 2012

Snoeihout

Ik werk in de tuin. Sleep gesnoeide takken door de boomgaard naar de houtsingel, die onze tuin scheidt van de weg. Midden in de houtsingel, die bestaat uit een strook bomen en struiken, nu nog kaal omdat het voorjaar nog niet is losgebarsten, maken we een wal. Omdat we ons snoeihout kwijt moeten en omdat we een afscheiding willen maken. Twee vliegen in een klap. 

Het maken van een wal van takken blijkt heel bevredigend. Hoe verder de wal vordert, hoe meer mijn gevoel van omslotenheid en afbakening toeneemt. Vond ik het eerder leuk om geen hek te hebben (niet van dat burgerlijke) nu merk ik dat ik er lol in heb een muur van takken te bouwen. Ik stel me voor dat er een hond (of een mens of een marsmannetje) aan de andere kant van de wal staat en probeert een zwak punt in de wal te ontdekken waar hij, zij of het doorheen kan kruipen. Of overheen kan springen. Op die plekken leg ik nog wat extra. Terwijl ik me met bossen snoeihout zwetend een weg door de struiken baan op weg naar mijn gestaag groeiende bouwwerk, doemt van tijd tot tijd het beeld op van het ondoordringbare, doornige schild rondom het kasteel van Doornroosje. Die takken groeiden vanzelf weer aan als er een moedige prins met zijn zwaard op inhakte. Ik weet niet meer zeker of ze zich vervolgens ook op de jongeling stortten om hem te verorberen, misschien heb ik dat er zelf bij verzonnen. Maar ik dwaal af. 

Ik hou absoluut van ruimte. Ik hou van de wijdse polder, ik hou van onze enorme tuin, ik hou van onze grote woonkamer. Het geeft  ademruimte, bewegingsruimte. Maar teveel ruimte maakt grenzeloos. Daar los je in op. Je verliest controle, je verliest overzicht. Alsof je alles steeds moet delen met de rest van de wereld. Mocht er iemand om vragen. 

Alsof er constant een deur openstaat.
Hoe lekker is het om de deur gewoon dicht te doen. Dit is van mij. Mijn ruimte. Alleen voor genodigden of prinsen en prinsessen met een goeie timing. 
Ziezo.



Papieren tijgers

Er is geen zwaarte in mijn voetstap.
Papieren tijgers zijn doorzien. 
Er is alleen dit.

Schoonheid stroomt en golft en danst 
vermomd als alledaagse dag
pas zichtbaar als ik er niet meer op sta
iemand te zijn.

Soms raak ik verstrikt. Geloof ik mijn gedachten. 
Het verhaal van dit persoon.
Oude pijn komt op, onontkoombaar.

Wonden worden gevoeld.
Diep en schrijnend.
Maar mijn handen laten los, 
en in het volledig ervaren 
is de pijn niet meer dan een 
wolk die in mijn buik voorbij drijft


zaterdag 3 maart 2012

Support

Terwijl we opstaan om het pannenkoekenrestaurant te verlaten, zie ik ik een jongetje zitten aan het tafeltje achter ons. Hij is een jaar of zes, met een zwarte bril en kortgeknipte haren. Zijn moeder zit op de stoel naast hem, druk smsend, een rimpel tussen haar ogen, verdwenen in een virtuele conversatie elders. Ze heeft haar jas nog aan, alsof het een kort bezoekje gaat worden, iets dat eigenlijk zo snel mogelijk afgehandeld moet worden op de drukke tijdlijn van haar dag. Zijn zusje zit gehurkt bij het speelgoed naast de tafel waar ze haar hand uitsteekt naar een bezempje dat bij een minikeukentje hoort.
Het jongetje kijkt dromerig om zich heen, zich niet bewust van mijn blik. Voor hem op tafel ligt zijn knuffel, een beige en bruin aapje, smoezelig met gladde plekken door het gebruik. Zijn duim rust op de afgesleten staart, een nonchalant maar intiem gebaar, terwijl zijn ogen de ruimte in zich opnemen. Dat contact met zijn knuffel raakt me, net als het onbevangen, nieuwsgierige kijken door die jonge ogen naar de ruimte, alles nog nieuw, nog niet voorzien van labels en vooringenomenheid. 
Ik bedenk me dat iedereen het recht zou moeten hebben op een knuffel. Op een anker van iets vertrouwds, terwijl onze geest de wereld verkent. Wat er ook gebeurt, de knuffel ligt binnen handbereik, met zijn of haar geruststellende geur die onmiddelijk de grote wereld verkleint tot iets behapbaars, tot een dichtbije, warme ademhaling tegen een zachte vacht. 

Hoe zou het zijn als we allemaal een knuffel met ons meedroegen? Een openlijk blijk van onze behoefte aan support, aan veiligheid? Waardoor onze kwetsbaarheid en angst als vanzelf zichtbaar zou zijn in plaats van weggestopt te worden achter een glimlach of trefzekere woorden?
Ik stel me zakenmannen voor, in onberispelijk grijze pakken, de een met een vlekkerig, zachtroze konijn in zijn borstzak, de ander met een lichtbruin hondje dat een oor mist, naast zijn attachekoffertje op de vergadertafel. Knuffels, een leven lang vastgehouden voor troost, warmte, nabijheid. Waar tranen in geplengd zijn, waar machteloze woede in gebeten heeft. Waar verlangens aan toevertrouwd zijn.  
Ik stel me de knuffel voor van Koningin Beatrix, een vaalgeworden, ooit bruine teddybeer met glazen oogjes die een beetje los zitten. Zorgvuldig neergezet op haar schoot tijdens de troonrede. Of de knuffel van premier Rutte, een grijs hangoorkonijn in een versleten geruite tuinbroek. De knuffel van Wilders?
Ik weet niet precies wat mijn knuffel nu zou zijn. Ik had er vroeger meerdere, niet alleen dierenknuffels maar ook poppen en voorwerpen. Allemaal waren het gulle gevers van steun, liefde en geruststelling. Gek eigenlijk dat we menen die nu niet langer meer nodig te hebben.