Diepstil is deze morgen. En toch tot aan de rand gevuld met
geluid en levendigheid. Gekwetter en gefluit van vogels, de wind door het gras,
het water in de vijver bevolkt met de meest vreemde diertjes die voorbij komen
zetten, onder-water-kevers, torren, kleine slangachtige wezentjes. Een lauw
briesje strijkt langs mijn naakte huid en de gedachte komt op dat het niet
perfecter kan dat dit.
Terwijl nog meer gedachten voorbij drijven in deze
wolkenloze hemel (wat zullen we vanavond eten, ik moet niet vergeten de was
buiten op te hangen) word ik me bewust van de stilte achter elke beweging,
achter elk geluid. Een stilte die plotseling opbloeit als een onvoorstelbare
energie, een stuwende, aaneengesloten aanwezigheid. Volkomen leeg en overvol
tegelijkertijd.
Ik merk hoe iets in me probeert intact te blijven, zich vast
wil grijpen aan een standpunt in deze onbegrijpelijke tomeloosheid. Een golf
die probeert zijn vorm te behouden in de oceaan. Zo ridicuul! Wat
nou standpunt! Welk standpunt in godsnaam! Ik ten opzichte van alles waar dit
uit voortkomt? Probeer ik me vast te klampen aan een gedachte, de gedachte dat
ik los zou staan van dit alles, dat ik mijn leven bestuur?
Ik geef het op en laat alles varen. Met geen mogelijkheid
ben ik apart van dit alles. Van de stilte, van de stuwende kracht, van de
watertor, van alles wat verschijnt. Ik ben dit alles. Elke cel in mijn lichaam,
elke gedachte die opkomt, elk woord dat ik spreek. Zelfs elke poging om een
apart ik in stand te houden.
Dit alles ben ik.
En het mysterie is dat ik tegelijkertijd niet kan weten wat
ik ben.
Kan de oceaan weten dat hij een oceaan is? Zichzelf
benoemen, zichzelf zien? Of heeft hij alleen weet van zijn oceaanheid door de
golven die verschijnen, de vissen die in hem zwemmen en schepen die hem
bevaren?
Als ik opkijk van mijn laptop ligt de tuin er nog even
vredig bij in de zon. Mijn lichaam voelt opgeladen, energiek. De kikkers
kwaken, een auto komt voorbij en mijn maag roept om lunch.
Eerst dat, en dan de was ophangen.